Boethius - Troost van de filosofie
‘In Boethius is de oudere wijsgerige traditie goed herkenbaar. Dat zie je aan de kernbegrippen in de Consolatio. Leg uit.’
De existentiële gelijkenissen van vele klassieke schrijvers zijn angstaanjagend. Boethius strijdt hetzelfde existentiële gevecht als zijn voorgangers uit de oude wijsgerige traditie, een hoedanigheid die ook de moderne mens kenmerkt (al vaak onbewust). Dit komt doordat de existentiële conditie van de mens niet verandert. Tot het einde der tijden zal de mens worstelen met de vragen die de tijdloze menselijke existentiële situatie ons oplegt.
Daarnaast zijn op de grote existentiële vragen enkel een paar antwoorden mogelijk. Weinig antwoorden zijn goed, waar en schoon; oneindig veel antwoorden zijn zondig, ze missen het punt. Zo zijn er slechts drie mogelijke natuuropvattingen: noodlottig, willekeurig en een goed redelijk principe. Boethius is overtuigd van het laatste: het universum heeft een goed en redelijk principe, oftewel is geschapen door een goede God. Deze basisovertuiging heeft noodzakelijkerwijs vele logische gevolgen. Onder andere veronderstelt deze natuuropvatting de Platoonse ideeënleer. Dit betekent dat objecten, ideeën, mensen en het goddelijke een essentie hebben, en deze zijn ontologisch waar en gefundeerd.
De volgende vraag volgt ook direct en logischerwijs. De existentiële staat van veel (goede) mensen is diep treurig. Hoe kan dit in overeenstemming zijn met de overtuiging dat een goede God aan het begin van alles staat? Als een dergelijke vraag niet verenigbaar oogt, is de juiste menselijke houding om aan te nemen dat de mens het goede, ware en schone antwoord nog niet heeft ontdekt. De treurige situatie van vele goede mensen kan alleen op logische wijze worden verzoend met een goede God als de mens de totale bedoeling van zijn eigen lot niet inziet. De totale bedoeling ziet alleen God. Ook al lijkt het lot voor de mens vaak diep treurig, het lot is in werkelijkheid genesteld in goddelijke voorzienigheid en is daarmee in zijn finaliteit goed.
Op dezelfde logische wijze volgen antwoorden op alle klassieke vragen. Wat is bijvoorbeeld de rol van wijsheid, rechtvaardigheid, geluk? Deze zijn te vinden in de menselijke participatie aan het goede omdat in zoverre iets goed is, het gericht is op het goede. Wijsheid, rechtvaardigheid en geluk zijn goed en zijn dus in die participatie te vinden.
De filosofie werpt op dezelfde wijze het ware licht op de realiteit van het kwaad. Het kwaad kan redelijkerwijs geen beginnend principe zijn omdat het goede principe dat al is. Het kwaad moet dus noodzakelijkerwijs een afstand zijn van het goede. Het is een parasiet, een ziekte; het mist het echte goede, ware en schone. Nog preciezer, slechtheid is op zijn eigen manier ook gericht op een goed, omdat het goede het enige ontologisch ware is, echter mist slechtheid het werkelijk goede.
Als laatste moeten de deugden binnen deze natuuropvatting noodzakelijk een disciplinaire techniek zijn om de menselijke zonden, het missen van het goede, te bestrijden. Zo maakt men de ziel gezond.
Boethius' kernbegrippen zijn herkenbaar in de oudere wijsgerige traditie omdat de fundamentele vragen en concepten niet veranderen aangezien de menselijke existentiële situatie niet verandert. Wat wel verandert, zijn de basisaannames, waardoor op logische wijze uiteenlopende antwoorden ontstaan op de identieke kernvragen.