Groen van Prinsterer - Ongeloof en Revolutie
‘Wat is het verband tussen ongeloof en revolutie?’
Volgens Prinsterer vloeit het revolutionaire denken logisch en direct voort uit het ongeloof in de maatschappij. Ongeloof betekent voor Prinsterer het (geleidelijke) afwijzen van de historische Jezus als ware God. Jezus is de enige die hemel en aarde op de juiste manier kan verbinden. Met andere woorden: Hij is de enige bron waardoor denkbeelden zoals gezag, monarchie, de standen, het recht, vrijheid, staat, verdraagzaamheid en menselijkheid een solide grondslag of wortel hebben. Zo brengt christelijk geloof bijvoorbeeld vrijheid en gehoorzaamheid in harmonie. Zonder de Schepper, die het fundament vormt van deze denkbeelden, worden zij wortelloze en geïsoleerde ideeën, los van een hogere harmonische samenhang. Dit leidt tot hun verbastering of absolutisering en daarmee tot het verval van mens en staat.
Waar komt bijvoorbeeld het gezag van de staat vandaan als dit gezag niet door God gegeven is? Dit is het kernprobleem voor de revolutionairen. Als ongelovigen kunnen zij niet anders dan terugvallen op de wankele mens als ultiem fundament. In hun wereldbeeld kan immers geen hogere autoriteit bestaan.
Nog erger, Lucifer is de hoogmoedige intellectueel die zijn eigen rede en autoriteit boven die van God stelt. Hierin ligt de fundamentele tweevoudige dwaling van de revolutionairen: ten eerste het afwijzen van God en de Waarheid zoals beschreven in het Evangelie, en ten tweede het hoogmoedige verheffen van de mens tot almachtige. Zonder God als fundament wankelen alle denkbeelden, en wordt de menselijke rede leidend in het bepalen van waarheid. Vrijheid en gelijkheid, bijvoorbeeld, worden redelijke maar ongefundeerde doelen van de staat. Het menselijke sociale contract is namelijk het enige gezagdragende mechanisme binnen deze staat en dit is subject aan de willekeurige volkswil.
Prinsterer laat dus zien dat de revolutie een direct en logisch gevolg is van de zedelijke crisis in de samenleving. Ongeloof is langzaam doorgedrongen in het dagelijks leven en in de structuren van de maatschappij. Dit heeft revolutionaire gevolgen voor de gehele cultuur en wetgeving. Het verlichtingsdenken heeft revolutionaire denkbeelden in de plaats van het Evangelie gesteld. Het kernprobleem is daarmee niet economisch, historisch, politiek of een gevolg van de Reformatie, maar ligt in het morele verraad aan de christelijke grondbeginselen van mens- en wereldbeeld.
Deze maatschappelijke verloedering is bovendien niet uitsluitend de schuld van de revolutionairen. Wij, de christenen, verzaken ernstig in deze strijd. Wij hebben de plicht op te komen voor de Waarheid en de openbaring van Christus’ liefde, en ons zwaard op te pakken in haar verdediging.
Wij hebben toegestaan dat de menselijke associatie en het republikeinse denken het goddelijke verbond tussen God en mens hebben vervangen. Door onze nalatigheid zijn goddelijke autoriteit en gehoorzaamheid ingeruild voor verdwaalde ‘redelijke’ denkbeelden, waarin de hoogmoedige rede onterecht als hoogste waarheid wordt beschouwd.
Daartegenover staat de geopenbaarde Waarheid van Christus. Wij, de christenen, moeten zeker van Hem leren zijn en dit overtuigend uitstralen. Jezus ís de ware grondslag van alle menselijke denkbeelden en Hij ís het fundament van een goed functionerende mens en staat. Daarom is Prinsterers boodschap nog steeds hoogst relevant: hij roept ons ten strijde te trekken en Christus’ eeuwige Waarheid te verdedigen.‘