Plato’s Alcibiades I

‘Wat probeert Plato te communiceren in 'Alcibiades I'?’

Plato probeert te communiceren dat de mens ernaar moet streven om in alles goedheid, juistheid en rechtvaardigheid te bevorderen. Dit kunnen we ook "deugdzaamheid" noemen. Met wie willen we bijvoorbeeld samen werken? Met de deugdzame mens. Deze deugdzaamheid begint bij onszelf. We moeten eerst onszelf tot deugdzaamheid verheffen voordat we anderen—of de maatschappij—deugdzaamheid kunnen leren. En als we zelf nog niet deugdzaam zijn, zegt Plato, kunnen we beter eerst iemand volgen die dat wel is. 

Om tot deugdzaamheid te komen moet de mens zoeken. Maar waar moeten we beginnen met zoeken? Het antwoord ligt in onszelf: "Ken uzelf." Plato gelooft dat we in essentie een ziel zijn. Onder andere omdat we als mens on lichaam gebruiken, en we kunnen niet zijn wat we gebruiken. Daarom moet er iets diepers zijn dan ons lichaam, en dit noemen we de ziel.

Zelfkennis is dan een onderzoek naar wat we ten diepste zijn: een ziel. Het hoogste aspect van de ziel vertoont de grootste gelijkenis aan God en hier heeft dus het grootste gedeelte van ons onderzoek plaats te vinden. Door naar het goddelijke te kijken, kunnen we in het goddelijke spiegelbeeld het hoogste in onszelf aanschouwen. Onderzoek hiernaar leidt tot de hoogste vorm van zelfkennis. Zelfkennis is de ontdekking van onze eigen ziel die in verbinding staat met het Goddelijke.

Trots, daarentegen, wat Alcibiades in de dialoog belichaamt, belemmert de zoektocht naar deugdzaamheid en wijst op gebrek aan (zelf)kennis. De ziel is namelijk verward als (zelf)kennis beweerd wordt terwijl er in werkelijkheid geen kennis van zaken is. De trots geloofd iets te weten terwijl dit in werkelijkheid niet het geval is. Zo is de trotse geest verward en staat die geest niet in verbinding met de werkelijkheid. De trotse mens handelt naar de illusie kennis van zaken te hebben terwijl dit in werkelijkheid niet het geval is.

Plato schetst dus een duidelijk contrast tussen de filosofische houding naar ware (zelf)kennis en de trots. De logos, belichaamd door Socrates, is de houding van oprechte onderzoekende redelijkheid dat streeft naar zelfkennis en deugdzaamheid. Dit is de houding van de mens die weet wat hij niet weet. In deze houding is de mens een vraagteken: onderzoekend, nieuwsgierig, en bovenal ervan bewust dat we in werkelijkheid erg weinig weten.

Deugdzaamheid en ware zelfkennis is ontzettend moeilijk, de trots staat (vaak onbewust) in de weg, maar het is tegelijk van het hoogste belang. Het verleent onze ziel ware vrijheid en het laat ons reflecteren in het goddelijke. Geluk is dan ook een bijproduct van deugdzaamheid en zelfkennis. Ondeugdzaamheid, aan de andere kant, staat gelijk aan slavernij en het ontbreken van zelfkennis.

Tot slot zijn Plato’s teksten in dialoogvorm. Hiermee laat Plato zien dat inzicht uiteindelijk voortkomt uit dia-loog. Twee (dia) zielen die in de geest van de logos (dia-logos) tot ware inzicht en zelfkennis proberen te komen. Dat is hét idee waar het Westen en onze liberale democratieën op gebasseerd zijn.

Vorige
Vorige

Ovidius’ Metamorphosen - genesis van de Logos

Volgende
Volgende

Plato, de Logos en de liefde in het Symposium