Plato’s Symposium

‘In Plato’s Symposium worden diverse meningen over de liefde gepresenteerd. Waarom volstaat Plato niet met de mening van Socrates?’

Socrates personifieert de logos in de mens; de logos vertegenwoordigt, onder andere, het rationele aspect van de mens dat streeft naar waarheid, redelijkheid en wijsheid. Dit is ook de intuïtieve stem die de mens aanspoort moreel te zijn. Deze stem is meestal subtiel, fluisterend en moeilijk waarneembaar. Bovendien ervaren mensen vaak irritatie bij het horen van hun morele innerlijke stem. Er naar luisteren is moeilijk.

Indien Plato zich had beperkt tot de beschrijving van liefde volgens Socrates zou Plato daarmee het overgrote deel van de menselijke natuur onbelicht hebben gelaten omdat het uitsluitend het hoogst haalbare menselijke doel zou beschrijven: luisteren naar onze innerlijke logos. Dit zou hebben geleid tot een onvolledig beeld van de menselijke natuur, waarin slechts het ideaal van de mens zou zijn weergegeven. 

Het kernpunt dat Plato probeert te communiceren volgt uit de titel “Het Symposium,” dat treffend wordt vertaald als “het drinkgelag.” Het drinkgelag in het Symposium symboliseert de menselijke natuur. Dit is de menselijke hedonistische natuur die naar onbewustheid verlangt, wil feesten en weigert aan morgen te denken. Laat staan dat dit gedeelte van de menselijke natuur zich voornamelijk bezighoudt met het luisteren naar of belichamen van de logos, wat zowel het moeilijkste maar ook het hoogste doel in het leven is. 

Het onderwerp van de avond, Eros, een van de hoogste goden, benadrukt nogmaals de menselijke hoogmoed. In een hedonistische staat presenteren de feestgangers een steeds grotere lofzang over het hoogste: de liefde. Dit illustreert Plato's kernpunt dat de mens grote neiging tot hedonisme heeft, zich daar niet van bewust is, en in die staat ook nog eens graag kennis over het hoogste verkondigt. Bovendien merkt Socrates op dat de lofzang van de feestgangers niet om het vinden van de waarheid gaat, maar om het propageren van de feestgangers hun “diepgaande” kennis. 

Het conflict tussen de logos en de menselijke neiging tot hoogmoed vormt dus de essentie van Plato's boodschap. Daarmee laat Plato wederom zien dat de mens sterk geneigd is om overtuigd te zijn van kennis waar in feite geen kennis van zaken bezit wordt. 

Als laatste neemt Socrates (de logos) het woord. In contrast met de vorige lofzangers spreekt Socrates in dialoog en claimt zelf geen kennis van zaken. Hier komt de avond werkelijk tot zijn climax. Echter volstaat geen moment voor bezinning: Alcibiades, de personificatie van de hoogmoed, komt stomdronken binnen. Alcibiades’ lofzang voor Socrates is uitermate tekenend en valt terug in een ode vanuit hoogmoed, ook omdat Alcibiades Socrates zijn speech gemist heeft. Hiermee gaat het gezelschap aan de boodschap van Socrates over de liefde voorbij. De avond eindigt dan alsnog in een drinkgelag. Dit is tekenend voor de menselijke natuur.

Deze inzichten in de menselijke natuur zouden verloren zijn gegaan als Plato enkel met de mening van Sokrates had volstaan. Juist met de interactie tussen de hoogmoed en de logos biedt Plato diepe inzichten in het menselijk kenvermogen en wie wij als mens daadwerkelijk zijn.

Vorige
Vorige

Aristoteles’ Ethics

Volgende
Volgende

Plato’s Alcibiades I