Abelard - Ethics

Wat is het centrale begrip in Abelards Scito Te Ipsum?

Onze permanente vijand, de slechte wil, verleidt de mens tot slechte daden. Echter is in zowel de wil als daad geen zonde te vinden. Zonde ontstaat met het centrale begrip in Abelard’s Ethics: de geestelijke instemming van een slechte wil. We stemmen met een wil in, als we de daad werkelijk hadden gedaan, mocht de kans zich voorgedaan hebben. Intentie gebruikt Abelard als synoniem voor instemming.

Zondigen is een instemmingsfout van onze geest en tegelijk een verwonding van onze ziel waarin we onszelf tegenover God zetten. Zondigen is namelijk de instemming met een slechte wil waarvan we bewust zijn dat het een wil is die tegen Gods wil ingaat. Centraal hierin is de menselijke vrije intentie: gaat de mens willens en wetens in tegen zijn geweten—de wil van God—dan zondigt de mens omdat dit willens en wetens een intentie tegen God is. Hiermee minachten we God en stemmen we vrijwillig met kwaadheid in. Strikt genomen is dit volgens Abelard de juiste negatieve definitie van zonde.

Volgens deze definitie is een daad op zichzelf dus nooit goed of fout. Desondanks, volgens de ruimere definitie van zonde, zijn daden uit dwang of onwetendheid (tegen God) ook zonden. Echter zijn dit zonden op het niveau van de daad, niet het niveau van de ziel: de menselijke intentie was niet tegen God gericht en dit is daarmee strikt genomen geen echte zonde. Hetzelfde geldt voor Gods Woord, waar intentie centraal staat. De daad die volgt uit Gods Woord kan slecht lijken maar alleen de intentie achter Gods Woord is van belang. 

Dat de intentie centraal is, blijkt ook uit de lichte, zware en onverzoenbare zonden. Lichte zonden zijn zonden waarvan we vergeten waren dat ze tegen God ingaan. Hier is onze intentie dus niet bewust tegen God gekeerd. Zware zonden zijn zonden die we altijd met onze intentie tegen God maken. De onverzoenbare zonde is het geloof dat de Heilige Geest ons in werkelijkheid met Zijn genade van onze kwade intenties redt en hier intentioneel kwaad tegen spreken. Het gevolg is dat we onze kwade intentie niet zullen kunnen redden, daarom is deze zonde onverzoenbaar.

De betekenissen van berouw, bekentenis en boetedoening laten ook zien dat intentie centraal staat in Ethics. Als we gezondigd hebben, moeten ons geestelijk instemmingsvermogen en intentie worden genezen. Als dit niet gebeurt, zal Gods straf eeuwig zijn. Onze intentie dient nu te zijn gericht op oprecht berouw voor onze kwade intenties en op toekomstige instemming met Gods wil. Bekentenis is het extern uiten van een goede intentie, terwijl boetedoening vrijwillig een straf ondergaan is om ons geestelijk instemmingsvermogen te genezen. Zo kan God onze eeuwige straf verzoenen. Een pure intentie gericht op Gods liefde is hier cruciaal. Slecht berouw of boetedoening is gebaseerd op een slechte intentie die niet op Gods liefde gericht is.  

De aardse maatstaf van straf verschilt met die van God in dat de mens meer oordeelt over daden. Wij kunnen elkaars intentie niet direct waarnemen en hebben primair de sociale samenhang te bevorderen. 

Vorige
Vorige

Thomas van Aquino - Summa Theologica

Volgende
Volgende

Bernard van Clairvaux - Ommekeer