Thomas van Aquino - Summa Theologica

Wat is de verhouding tussen ethiek en metafysica bij Thomas van Aquino? 

Aquino’s ethiek vloeit rechtstreeks voort uit zijn metafysica. God is het zijnde, het opperste goede, het perfecte, en hiermee ook het wenselijke. Gods bestaan is voor de mens rationeel en logisch af te leiden uit zijn effecten, te vinden in de natuur der dingen: beweging, oorzaak en gevolg, bestaan en niet-bestaan, gradaties en doelgerichtheid. Hieruit volgt dat God de noodzakelijke, uiteindelijke oorzaak en het beginnende, operatieve principe van alle dingen is. Van de dingen die bestaan heeft God een idee (of vorm) in zijn geest. Dit zijn de perfecte ideeën van alle (speculatieve) dingen die in Gods essentie zitten. Alle dingen streven van nature naar het goede en hun eigen perfecte vorm zoals God de dingen bedoeld heeft. Dit betekent dat de vormen van alle dingen een bepaalde goede wijze, aard en orde hebben volgens de intentie van God. Echter, de perfectie van het universum zorgt er ook voor dat er zowel incorrumpeerbare als corrumpeerbare dingen zijn.

Op logische wijze volgt Aquino’s ethiek uit deze natuuropvatting. Falen in het goede betekent dat de dingen niet voldoen aan de potentie van hun goede vorm. Dit is een corruptie van de goedheid die ze in essentie hadden kunnen zijn en dit is het kwaad. Iets heeft een potentie naar zijn eigen vorm maar is gebrekkig en brengt zijn actualiteit niet tot het niveau van zijn bedoelde potentie. 

Dit betekent dat iets geen kwaad principe of oorzaak kan hebben omdat God het noodzakelijke goede principe en oorzaak van alles is. Enkel is God niet de directe oorzaak voor het kwaad van een gebrekkig autonoom wezen. Hieruit volgt logischerwijs dat in zoverre iets bestaat het geen kwaad kan zijn en dat het kwaad altijd een onbedoelde, indirecte of nalatige handeling is. Het kwaad is dus altijd een gebrek aan het potentiële goed in een ding.

Het juiste handelen van de mens volgt direct uit het goed gebruiken van alles wat de mens bezit naar zijn beoogde vorm. Uitzonderlijk bezit de menselijke vorm de vrije wil en de rede. Hier kan en moet de mens dus goed naar handelen om zijn potentiële vorm te actualiseren. De regel waar de mens zich aan moet houden is de menselijke rede die is afgeleid van Gods Eeuwige Wet. Als de mens handelt, spreekt of wenst in strijd met zijn rede en de Eeuwige Wet, dan zondigt de mens. Zondigen is een handeling met een doel waarbij het doel de juiste orde mist volgens de intentie van God naar alle vormen. Zo gedraagt de mens zich niet naar zijn beoogde natuur. De menselijke rede en vrije wil wordt niet naar behoren gebruikt: de vrije handeling verdient lof of schuld naar de goede of slechte kwaliteit van de handeling. Bij deze lof of schuld hoort een vergelding die primair betrekking heeft op God: Hij is immers de beheerder van de kosmische gemeenschap.

Vorige
Vorige

Thomas van Aquino - Over de Wet

Volgende
Volgende

Abelard - Ethics