Montesquieu - Over de Geest van de Wetten
‘Beschrijf de monarchie in vergelijking met de twee andere staatsvormen’
Montesquieu is een bewoner van de moderne wereld. Veel Griekse teksten zijn herontdekt, de Nieuwe Wereld is ontdekt, de wetenschap groeit, en het nieuwe moderne denken is in volle vaart. Uit al deze nieuwe ontwikkelingen trekken sommige tijdgenoten van Montesquieu de conclusie dat alle ideeën en staatsvormen subjectieve en relativistische constructen zijn. In de Europese geschiedenis, het verre Azië en in het nieuwe Amerika zien we immers een grote hoeveelheid verschillende ideeën en staatsvormen!
“Nee,” zegt Montesquieu, “de oude Grieken wisten dit al: als we door de particulieren heen kijken, zien we ten diepste drie essenties waaraan alle verschillende staatsvormen deelnemen.” Een staat kan slechts geregeerd worden door (een deel van) het volk: de republiek. Hiërarchisch door één leider, gebaseerd op onveranderlijke wetten: de monarchie. Of door één leider, gebaseerd op zijn eigen wil: de despotie. Meer opties zijn er niet!
Iedere staatsvorm heeft dus een eigen aard, gebaseerd op haar manier van regeren. Uit deze aard volgt logisch en direct het grondbeginsel van de staatsvorm, en hieruit vloeien alle wetten, de opvoeding, het burger- en strafrecht, regels rondom bezit en luxe, en verschillende tekenen van verval van die staatsvorm.
Eer is het grondbeginsel in de monarchie omdat de menselijke eer de sociale hiërarchie in de monarchie het meest bevordert. Eer is de stabiliserende kracht waardoor de staat geen despotie wordt. Stabiliteit en rechtvaardigheid zijn dus het doel. Dit betekent dat de wetten, de opvoeding in de staat, en het strafrecht binnen deze staatsvorm met de eer moeten rijmen om stabiliteit en rechtvaardigheid te bevorderen. Een wet die een burger verplicht om tegen zijn eer in te gaan, is een slechte wet binnen dit politieke systeem en brengt instabiliteit in deze staatsvorm.
In de republiek is het beginsel de deugd, met als doel de vrijheid en gelijkheid van de burgers. De samenwerking in een republiek is namelijk vrijwillig en gebaseerd op de zelfopoffering van haar burgers. Dit kan alleen binnen een staat waar haar inwoners intrinsiek politiek deugdzaam zijn. De opvoeding moet dit primair bevorderen; gaat men zijn eigen belangen nastreven, dan raakt deze staat in verval.
Tot slot richt de despotie zich op gehoorzaamheid en orde, met angst als primair beginsel. De wil van de despoot is arbitrair en niet op vaste wetten of zekerheid gebaseerd. Hierdoor is de despotie een zelfondermijnende staatsvorm die volgens Montesquieu gedoemd is om te mislukken.
Politieke moraliteit wordt dus gedicteerd door de staatsvorm waarin iemand zich bevindt. Ten diepste moet gehandeld worden in overeenstemming met de kernprincipes die de stabiliteit en het doel van die staatsvorm ondersteunen. Zo is bijvoorbeeld binnen de monarchie een eervolle adel essentieel als tussenmacht om de absolute wetten te waarborgen. Binnen een republiek is een dergelijke adel funest, omdat ze de gelijkheid, het primaire doel van de republiek, schaadt.
Montesquieu geeft dus een volstrekt logische verklaring voor de grote verschillen in staatsbeheer binnen een wereld waarin alle (intelligente) dingen zich op een absolute, noodzakelijke, en dus Platoonse wijze tot elkaar verhouden.