Bijbel & Plato

Wat is er Platoons in de Soliloquien en wat is er Bijbels?

Er zijn sterke parallellen tussen de Platoonse en Bijbelse tradities die ook in de Soliloquies terug te vinden zijn. Bijvoorbeeld het idee in de Soliloquies dat het geestesoog gezond moet zijn voordat het het ware licht kan zien, is zowel Platoons als Bijbels. Beide tradities benadrukken de primaire rol van de ziel in de mens, waarbij wordt gesteld dat de ziel gezond moet zijn voordat ze naar het licht kan kijken. Dit idee komt bijvoorbeeld tot uiting in zowel de ommekeer op Jacobs ladder als in de allegorie van Plato’s grot. 

Echter, de manier waarop genezing van de ziel plaatsvindt in de Soliloquies is Bijbels. Bij Augustinus krijgt God de rol van de dokter, die weet welke ziel genezen moet worden en wat daarvoor nodig is. Dit wordt bereikt via de weg van de drie goddelijke deugden: geloof, hoop en liefde. Dit is ook de manier waarop Augustinus God tracht te kennen. Het gaat erom hoe God gekend wordt. We moeten in hem geloven, we moeten op hem hopen en we moeten hem liefhebben. Dit is de meest ware vorm van kennis die de ziel kan hebben volgens Augustinus en dit is in zijn kern Bijbels.

In de Soliloquies wordt God gezien als een persoonlijkheid die naar de mens komt en een actieve rol speelt in het menselijk bestaan. Er is dus een actieve persoonlijke relatie tussen God en de mens. Dit wordt geïllustreerd met uitspraken als "The supreme beauty knows when to show itself" en "It [God] performs the function of the physician, and knows…" God is bij Augustinus dus geen Platoons idee in de hemel, maar een Bijbelse persoonlijke betrokkenheid.

Daarentegen is Augustinus’ argument in de Soliloquies dat de ziel onsterfelijk is door haar inherente relatie met zintuiglijke waarneming en het leven, Platoons. In de Bijbel staat het idee van het eeuwige leven meer in teken van geloof in Christus dan dat het een filosofisch argument is voor de onsterfelijkheid van de ziel.

De volgende argumenten van Augustinus zijn ook Platoons. Materie wordt gezien als vals in zoverre het een afspiegeling is van de eeuwige, onvergankelijke wereld en zintuiglijke waarnemingen worden beschouwd als bronnen van illusie en bedrog. Beide ideeën zijn rechtstreeks afkomstig uit Plato’s allegorie van de grot. In de Bijbel wordt de materiële wereld niet per se als vals beschouwd. Deze is immers geschapen door God. Al is er wel een sterke nadruk op het geestelijke.

Hetzelfde geldt voor het loskomen van de lichamelijke begeerten. Bij Plato en Augustinus wordt dit gezien als een voorwaarde om het ware licht te kunnen zien. Bijvoorbeeld Paulus heeft wel een nadruk op het geestelijke maar ziet loskomen van de lichamelijke begeerten niet als strikte voorwaarde.

Vorige
Vorige

Augustine - On Christian Teaching

Volgende
Volgende

Bijbel - Johannes