Epicurus - brieven
‘Hangt Epicurus’ natuuropvatting samen met zijn ethiek?’
In essentie rust Epicurus' ethiek volledig op zijn natuuropvatting. Deze natuuropvatting is materialistisch, wat betekent dat er voor Epicurus niets bestaat buiten materiële lichamen in een oneindige ruimte. De lichamen bestaan uit ondeelbare deeltjes, atomen genaamd, die het fundamentele begin van alles vormen. Epicurus redeneert dat het beginsel (de atomen) in de materiële wereld ondeelbaar moet zijn, aangezien begrensde lichamen in de wereld noodzakelijkerwijs opgebouwd moeten zijn uit een begrensd begin. Als dit niet het geval zou zijn, zou het beginsel van de wereld ongefundeerd zijn en dit is onmogelijk.
Alles bij Epicurus volgt uit dit materiële beginsel van ondeelbare, begrensde deeltjes in een geheel materieel universum. Zo ook de ziel, die bij Epicurus volledig tot materie is teruggebracht. Epicurus stelt dat het lichaam primair is en de ziel daaruit voortkomt. Wanneer het lichaam desintegreert, lost ook de ziel op.
Epicurus' ethiek vloeit rechtstreeks voort uit deze materiële natuuropvatting. Dit komt doordat er voor Epicurus niets bestaat behalve materiële fysieke lichamen. Het enige ontologische aan de mens in een dergelijk universum is dan ook het fysieke materiële lichaam. Hiermee zijn ook de enige innerlijke menselijke sensaties die ontologisch gefundeerd zijn, de fysieke innerlijke sensaties van het menselijke lichaam.
In een puur materiële wereld zijn de innerlijke sensaties die voortkomen uit het fysieke lichaam dus het enige in het innerlijke van de mens dat een reële ontologische status heeft. Deze sensaties kunnen vervolgens allemaal worden teruggebracht tot twee kampen: negatieve en positieve sensaties, oftewel 'pijn' (pain) en ‘genot’ (pleasure). Het is duidelijk dat pijn negatief is (kwaad) en genot positief (goed). Aangezien deze lichamelijke sensaties de enige menselijke sensaties zijn met een reële ontologie, is het enige zinvolle om naar te streven het minimaliseren van de kwade sensaties en het maximaliseren van de goede sensaties. Uit dit argument volgt dat Epicurus' ethiek van genotsmaximalisatie volledig en logisch voortkomt uit zijn natuuropvatting.
In een materialistische wereld kunnen geen Platoonse essenties, vormen of ideeën met reële ontologie bestaan. Dit betekent dat de deugden bij Epicurus, zoals voorzichtigheid, eer en rechtvaardigheid, geen intrinsieke ontologie kunnen hebben. Volgens Epicurus zijn de deugden samengegroeid met een prettig leven. Ze spelen een belangrijke instrumentele rol bij het vergaren van een pijnloos en voorzichtig beredeneerd goed leven. Meer kunnen essenties of de deugden binnen een materiële natuuropvatting niet zijn.
Onder een materialistische natuuropvatting kan een ethiek gebaseerd op afspraken (convenanten) wel worden ingezet. Deze kunnen instrumenteel worden gemaakt om het genot, zowel van onszelf als dat van anderen, te beschermen en te maximaliseren. Dit is precies wat we zien in de Ethiek van Epicurus.
Epicurus' uiterst logische onderzoek heeft diepgaande inzichten in zowel het materiële aspect van het universum opgeleverd als inzichten in de ethiek die op logischerwijs volgt uit deze materiële natuuropvatting.