Treatise van Cudworth
‘Wat zijn de voornaamste begrippen in de Treatise van Cudworth en hoe hangen ze met elkaar samen?’
De filosofie van Heraclitus, die stelt dat alles in voortdurende flux is, en atomistische filosofen, die materie als primair beschouwen, beweren dat alles, inclusief menselijke kennis en oordelen, voortvloeit uit een continue veranderlijke materie. Alle menselijke (morele) kennis en (morele) oordelen zouden dan uit zintuiglijke en dus lichamelijke waarnemingen moeten voortkomen, omdat het fysieke lichaam binnen deze filosofie het enige ontologisch gefundeerde is.
Dit kan echter niet, zegt Cudworth. Waarnemingen zijn geen kennis en geen oordelen. Het zijn een soort saaie, verwarde en domme gewaarwordingen die van buitenaf aan ons worden opgedrongen. Iets dat van buitenaf komt, is ons niet eigen en kunnen we niet echt begrijpen of aan relateren. Bovendien is het vatbaar voor misleiding. Dit betekent dat we iets wat van buitenaf komt, nooit werkelijk kunnen begrijpen of de aard ervan kunnen doorgronden.
Als veranderlijke materie wel primair zou zijn, zou alles noodzakelijk relatief en ingebeeld zijn. Ieder mens zou dan de maat en het referentiekader worden van alle kennis, oordelen en waarheid, en hier wordt iemands willekeurige wil alles bepalend.
Daarnaast oordeelt het atomisme zelf dat waarnemingen verbeeldingsvol zijn. Maar deze claim kan zelf niet verbeeldingsvol zijn, want iets dat over waarnemingen oordeelt, moet de waarneming zelf transcenderen. Daarom impliceert het atomisme dat er iets absoluuts en onveranderlijks moet bestaan.
Dus concludeert Cudworth dat voor kennis en oordelen om ontologisch gefundeerd te zijn, er noodzakelijkerwijs iets natuurlijks, eeuwigs en onveranderlijks moet bestaan, los van (Gods) willekeurige wil. Alle dingen moeten noodzakelijkerwijs voortkomen uit iets vaststaands: hun eigen natuur. Bestaan zonder een natuur is een contradictie en staat gelijk aan niet-bestaan.
Hoe werkt dit alles in de mens? Waarnemingen komen van buitenaf als a posteriori fantomen of verbeeldingen in het laagste passievolle, passieve gedeelte van de ziel, waar de ziel in verbinding staat met het lichaam.
Kennis en oordeel komen echter van binnenuit. Dit is een actieve energie van een ongepassioneerde kracht in het hogere gedeelte van de ziel, die volledig losstaat van ons lichaam en daar de natuurlijke, eeuwige en onveranderlijke kennis als herinnering kan waarnemen. (Morele) kennis en (morele) oordelen zijn dan actieve overpeinzingen (conceptions) van de geest die innerlijk reflecteert op de dingen die het al weet. Zo begrijpen we op intellectuele wijze de absolute kennis in onszelf.
Hiermee is kennis een actief, afdalend proces van herinnering van het onveranderlijke en het absolute. Niet passief vanuit de waarneming, maar vanuit de werkelijke kracht en vitaliteit van het intellect zelf, dat zijn eigen begrijpelijke, absolute natuur actief begrijpt.
Het actieve goede oordeel moet dan getraind worden om de harmonische en ware begrippen in onszelf te kunnen herkennen en herinneren. Niet iedereen kan dit even goed: de brute mens heeft niet het actieve principe in zichzelf om tot de (hogere) kennis en oordelen te komen.
Geest, begrip en kennis moeten dus noodzakelijk bestaan en zijn primair: ze kunnen niet uit materie voortkomen. Volgens Cudworth volgt hieruit bovendien dat er noodzakelijk een oneindige en eeuwige geest, of God, moet zijn.