Cicero’s Tusculanae Disputationes
‘Wat is de betekenis en rol van het geluk bij Cicero?’
Centraal staat de vraag of de mens gelukkig kan zijn te midden van lijden. Cicero betoogt, in overeenstemming met de stoïcijnen, dat geluk volkomen voortkomt uit een deugdzaam leven. Cicero stelt dat zelfs onder extreme tegenspoed zoals blindheid, doofheid, verbanning of marteling, een deugdzaam leven op zichzelf voldoende is voor een gelukkig leven. Fysieke of mentale beproevingen tasten het geluk dus niet aan. Hiermee verzet Cicero zich tegen argumenten die geluk associëren met het lot of hedonistisch genot.
Hoewel dit betoog overtuigend lijkt, bevindt Cicero zich naar mijn inziens in een dilemma dat vergelijkbaar is met dat van Aristoteles. Aristoteles' ontologische probleem, afgelopen week besproken, betreft de essentie van bijvoorbeeld de soorten, kwaliteiten en hoedanigheden. Cicero lijkt hetzelfde ontologische probleem te hebben, waarbij bijvoorbeeld de deugden in hun volledigheid terug te voeren zijn op de mens. Het zijn eigenschappen die een mens kan hebben zonder dat ze werkelijke ontologische waarde hebben. Hiermee zouden de deugden er niet zijn als de mens er niet was. Dit leidt tot een inherent relativisme waarin de deugden, en zo ook alle andere soorten, kwaliteiten en hoedanigheden, geen ware essentie hebben. Zoals afgelopen week opgemerkt: het zijn geen “ietsen”. Hiermee deelt Cicero dezelfde ontologische problematiek als die van Aristoteles.
Een voorbeeld van Cicero’s redevoering voor de stelling dat het deugdzame leven het gelukkige leven is, is geformuleerd als een reeks stellingen. Echter, de argumentatie lijdt onder de drogreden van onvoldoende steekproef. Het argument loopt als volgt (hoofdstuk XV):
Een goed ding is vreugdevol.
Een vreugdevol ding verdient credit en waardering.
Wat credit en waardering verdient, is glorieus.
Wat glorieus is, is prijzenswaardig.
Wat prijzenswaardig is, is rechtschapen.
Dus, iets dat goed is, is rechtschapen.
Dit argument bewijst volgens Cicero dat een gelukkig leven gebonden is aan rechtschapenheid. Cicero’s stelling is echter logisch gebrekkig volgens de drogreden van onvoldoende steekproef. Naar mijn inziens moet Cicero terugvallen op soortgelijke redeneringen omdat zijn argumentatie gebaseerd is op een problematische ontologie.
Cicero vermijdt dan ook de bespreking van zijn ontologie, behalve wanneer hij verwijst naar de wet van de natuur (hoofdstuk VII). Hier stelt hij dat de wet van de natuur zijn argumenten “sterk ondersteunt”, maar hij vervolgt een bespreking hiervan nadrukkelijk niet. Had hij dat wel gedaan, was hij misschien tot de conclusie gekomen dat zijn aangenomen Aristoteliaanse ontologie problematisch is.
De betekenis van het geluk voor Cicero is dus stoïcijns. De rol van het geluk is echter problematisch door Cicero’s Aristoteliaanse ontologie. Waar Cicero meer overtuigingskracht biedt, is in zijn veelgenoemde voorbeelden. Hoewel geen logisch bewijs, werpen deze voorbeelden een groter licht op de relatie tussen deugdzaamheid en het gelukkig leven.
Niek Wierenga